De passato prossimo is een van de belangrijkste tijden in het Italiaans. Als je net begint met Italiaans, is dit meestal de eerste verleden tijd die je leert en dat is niet voor niets. Je gebruikt deze tijd namelijk om te praten over dingen die in het verleden zijn gebeurd en afgerond zijn.
Denk aan zinnen zoals:
In het Italiaans werkt dit op een vergelijkbare manier. Op deze pagina leer je stap voor stap hoe de passato prossimo werkt en wanneer je hem gebruikt.
De Passato Prossimo is wat wij in het Nederlands de voltooid tegenwoordige tijd noemen. We gebruiken die bij een voltooide gebeurtenis die plaats vond op een bepaald tijdstip in het verleden. Het klinkt zo nog heel omslachtig, maar eigenlijk is het in de praktijk heel simpel.
Gisteren heb ik de afwas gedaan.
Het is een voltooide gebeurtenis, omdat je nu niet meer die afwas aan het doen bent.
Er zou verwarring kunnen ontstaan met een andere tijd: de onvoltooid verleden tijd (ik fietste, wij deden). Deze tijd geeft ook een gebeurtenis in het verleden aan, maar is beschrijvender. Dit verschil wordt in dat artikel duidelijker uitgelegd, voor nu is het vooral belangrijk om te weten dat je de Passato Prossimo/voltooid tegenwoordige tijd gebruikt voor afgesloten gebeurtenissen uit het verleden.
De passato prossimo bestaat uit twee delen: het hulpwerkwoord en het voltooid deelwoord. De hulpwerkwoorden zijn: avere en essere, die in de presente indicativo (tegenwoordige tijd) staan.
Het voltooid deelwoord maak je op de volgende manier:

Bijvoorbeeld:
Ik heb geslapen <> ho dormito
Hij is gegaan <> è andato
Let wel op: een aantal veelgebruikte werkwoorden is helaas onregelmatig. Denk aan:
fare → fatto
dire → detto
vedere → visto
prendere → preso
Deze moet je helaas gewoon leren, maar ze komen zo vaak voor dat je ze snel herkent.
De meeste werkwoorden die worden vervoegd met zijn of hebben, worden op dezelfde manier vervoegd in het Italiaans met essere en avere. Werkwoorden die een lijdend voorwerp bij zich kunnen hebben, worden vaak vervoegd met avere (transitieve werkwoorden). Werkwoorden die een verplaatsing aangeven, worden vaak vervoegd met essere.
Paar voorbeelden:
Zij hebben gegeten (een broodje) <> hanno mangiato un panino
Jij bent vertrokken <> sei partito
Met de werkwoorden die worden vervoegd met essere is wel iets bijzonders aan de hand. De uitgang van het voltooid deelwoord kan namelijk veranderen. Dit is afhankelijk van het getal én geslacht van het onderwerp. Zo kan het voltooid deelwoord partito ook partita, partiti en partite zijn.
Bijvoorbeeld:
- Zij is vertrokken <> è partita
Het is vrouwelijk en enkelvoud, dus eindigt het voltooid deelwoord op een a.
- Vrouwen, jullie zijn vertrokken <> Donne, siete partite
Het onderwerp is ‘jullie’, wat in dit geval vrouwelijk meervoud is. Dus eindigt het voltooid deelwoord op een e.
- De vissers zijn vertrokken <> I pescatori sono partiti
Het onderwerp is ‘Vissers’, wat zowel mannelijk als vrouwelijk kan zijn. In het Italiaans kies je dan altijd voor de mannelijke variant. Datzelfde geldt voor een groep met heel veel vrouwen en 1 man, ook dan kies je voor de mannelijke variant. In dit geval is het dus mannelijke meervoud (-i).
In het gesproken Italiaans is de passato prossimo ontzettend belangrijk. In veel situaties wordt hij zelfs vaker gebruikt dan andere verleden tijden. Wil je dit echt goed onder de knie krijgen? Dan helpt het enorm om veel te oefenen en de meest voorkomende werkwoorden te herkennen. Hoe vaker je de passato prossimo gebruikt, hoe natuurlijker hij gaat aanvoelen. Bij Falo hebben we ook een oefening over de passato prossimo voor je. En anders kan je het hieronder aan Falina vragen.
Bij Falo hebben we onze digitale assistent Falina. Zij kan jou helpen te oefenen of wat extra uitleg geven. Ga hieronder het gesprek aan. Meer informatie over de werking van Falina vind je hier.