De trapassato prossimo is de Italiaanse voltooid verleden tijd. Je gebruikt deze tijd om te vertellen dat iets al gebeurd was vóór een ander moment in het verleden. In het Nederlands herken je deze vorm aan zinnen als ik had gegeten, zij was vertrokken of wij hadden het al gezien.In dit artikel kijken we kort naar hoe je de trapassato prossimo maakt, wanneer je deze tijd gebruikt en wat het verschil is met de passato prossimo.
De trapassato prossimo is een Italiaanse verleden tijd. In het Nederlands noemen we dit de voltooid verleden tijd.
Voorbeelden in het Nederlands zijn:
Je gebruikt de trapassato prossimo om te vertellen dat iets al gebeurd was vóór een ander moment in het verleden.
Kijk bijvoorbeeld naar deze zin:
Quando sono arrivato, Marco era già partito.
Toen ik aankwam, was Marco al vertrokken.
Eerst vertrok Marco. Daarna kwam ik aan. De trapassato prossimo laat dus zien dat Marco’s vertrek eerder plaatsvond dan mijn aankomst.
De trapassato prossimo maak je met twee onderdelen:
de imperfetto van avere of essere + het voltooid deelwoord
Dus:
avevo mangiato
ik had gegeten
ero partito
ik was vertrokken
Je gebruikt avere of essere op dezelfde manier als bij de passato prossimo. Werkwoorden die in de passato prossimo met avere gaan, gebruiken ook in de trapassato prossimo avere. Werkwoorden die in de passato prossimo met essere gaan, gebruiken ook hier essere.
En dat was hem wel. Wanneer je al wat tijden in het Italiaans kent, merk je vanzelf dat het qua moeilijk wel meevalt.