Persoonlijke voornaamwoorden | Falo's Italiaanse school

Persoonlijke voornaamwoorden

Uitleg & Oefeningen

Introductie

In deze achtste les gaan we wat dieper in op de persoonlijke voornaamwoorden in het Italiaans. Je hebt in de les over de tegenwoordige tijd al wat voornaamwoorden gehad, maar net als in de Nederlandse taal kennen de Italianen ook meerdere persoonlijke voornaamwoorden. Wat deze zijn en hoe en wanneer je deze gebruikt, behandel ik in deze les.

Download Falo Mobile

Persoonlijke voornaamwoorden als onderwerp

Even een korte terugblik op de persoonlijke voornaamwoorden uit eerdere lessen:

 

io = ik

tu = jij

lei = zij

Lei = u

lui = hij

noi = wij

voi = jullie

loro = zij


 

Deze voornaamwoorden gebruik je altijd als onderwerp van een zin.

 

Ik koop een boek <> (io) compro un libro.

Hij geeft een bloem <> (lui) da un fiore.

 

In het Italiaans gebruiken ze deze persoonlijke voornaamwoorden eigenlijk amper. Ze noemen hem alleen als je er nadruk op wilt leggen.

Non io, ma lui compra un libro, <> Niet ik, maar hij koopt een boek.

Lijdend voorwerp

In iedere zin staat een werkwoord en een onderwerp, maar soms heb je aan die twee niet genoeg. Denk bijvoorbeeld aan zinnen als ‘ik heb..’, ‘jij hebt genomen..’, 'wij zullen kopen..’. Bij al deze zinnen hoort een lijdend voorwerp. Het kan enkel een zelfstandig naamwoord zijn, een woordgroep (bijvoeglijk naamwoord + zelfstandig naamwoord), een bijzin of een persoonlijk voornaamwoord.

 

Om erachter te komen wat het lijdend voorwerp in de zin is, moet je jezelf de volgende vraag stellen:

 

'wie/wat + werkwoordelijk gezegde + onderwerp?'

 

Bijvoorbeeld: Wij hebben een pop.

wie/wat hebben wij? Een pop.

 

Jullie verdienen een betere baan.

wie/wat verdienen jullie? Een betere baan.

 

Mijn vader heeft mij gezien.

Wie/wat heeft mijn vader gezien? Mij.

 

Hij wenst dat hij ooit gelukkig zal zijn.

wie/wat wenst hij? Dat hij ooit gelukkig zal zijn.

 

In het Italiaans werkt het precies hetzelfde. En net zoals onze persoonlijke voornaamwoorden ook een aparte lijdende vorm kennen (mij, jou etc.), kennen de Italianen die ook. En die moet je dus simpelweg uit je hoofd leren.  

Meewerkend voorwerp

Sommige werkwoorden hebben een meewerkend voorwerp bij zich. Zonder het meewerkend voorwerp heb je (te) weinig informatie. Vaak begint het meewerkend met het voorzetsel aan of voor. Denk bijvoorbeeld aan: ‘Ik geef het boek (..aan..)’, ‘Ik vroeg (..aan..)’, ‘Ik denk (..aan..).

 

Net als het lijdend voorwerp, kan ook het meewerkend voorwerp bestaan uit enkel een zelfstandig naamwoord, een woordengroep, een bijzin of een persoonlijk voornaamwoord. Om achter het meewerkend voorwerp te komen stel je jezelf de volgende vraag:

Aan/voor wie + werkwoordelijk gezegde + onderwerp (+ evt. lijdend voorwerp)?

 

 

Wij hebben de spullen aan mijn vader gegeven.

Aan wie hebben wij gegeven de spullen? Aan mijn vader.

 

 

Ik vroeg haar waar we konden lunchen.

Aan wie vroeg ik waar we konden lunchen? (Aan)haar.

 

 

Ik zal denken aan hen die nu werkt.

Aan wie zal ik denken? Aan hen die nu werkt.

 

 

In het Italiaans kun je het meewerkend voorwerp herkennen aan ‘a’, wat onder andere aan betekent. Daarnaast moet je de persoonlijke voornaamwoorden leren om ze te herkennen en deze vind je weer hieronder!

Combinaties

Wanneer er zowel een persoonlijk voornaamwoord in de lijdende als het meewerkende voorwerp staan, zullen deze in het Italiaans veranderen of zelfs samensmelten. Een fenomeen dat wij in het Nederlands eigenlijk niet kennen.

 

Bijvoorbeeld:

  • Ik geef het aan jou > te lo do (in plaats van ti lo do)

  • Wij zeggen het tegen (aan) hem >  glielo diciamo (in plaats van gli lo diciamo)

 

Alle andere mogelijke combinaties:

FALO

  • 57fd64_05b11ece50e047bb80e840a4ef371272
  • Black Facebook Icon
  • Black Instagram Icon

© 2020 Falo's Italiaanse School. Met trots ontwikkeld en ontworpen door Olaf van Maaren.

Privacybeleid | Algemene Voorwaarden | Cursusbeschrijving | Beleidsplan | Contact

falo_logo_edited.png